Tasmaanse Duivels

Het moederschip en de vader komen een ochtend later aan dan wij. Voor ons ligt een ruime week, zonder poepen voor mama, in het woeste Tasmanië. Ondanks de op de loer liggende vakantieconstipatie was de aanwezigheid van een toilet en stromend water toch gewenst. Op dag 2 werd deze wens sterker na een nachtelijke ontmoeting met een bush-toilet, of althans de gedachte daaraan.

In navolging van ons busje Mats verdiende ook de lelijke buitenproportioneel grote huurbolide van de ouders een bijnaam: ‘auw kut’ heeft gewonnen. De bulten op het hoofd van de vader verkleurden langzaam van blauw naar een diep soort paars. De enige ontwikkeling ten op zichtte van de caravan van mijn jeugd is dat het hoofd nu ook bij het uitstappen gestoten kan worden. ‘Auw, kut’.

De natuur en overdaad aan wildlife is Tassie’s troef. Niet verlegen sloegen de meeste onderdelen van dit wildlife wel op de vlucht van de woorden ‘OH WAT EEN SCHATJE’. Het gebrek aan historie, op 100 jaar gevangenissen en het uitmoorden van de voltallige oorspronkelijke bevolking na, uit zich in de trieste saaie lelijkheid van de dorpjes. De grootste teleurstelling vinden we in Hobart. (MONA museum fantastisch, veel poep kunst.) We eindigen de dag bij een pub met maar liefst 5 sterren op Tripadvisor. Anouk besteld een overheerlijk bord gefrituurde diepvries coquilles, de vader eet een ietwat zurige kipfilet en mijn lam wordt gefixeerd op het bord met aardappel behangplaksel. Een paar pints later nemen we een taxi terug naar het sfeerloze camperveld. Een luide ‘auw kut’ uit het ouderlijk huis sluit de dag af.

In de vroege ochtend rijden we stapvoets over de smalle heuvelachtige wegen richting de boot. Slechts 1 walibi onderneemt een zelfmoordpoging. Als ervaren chauffeur haal ik mijn voet van het gas, geef ik richting aan en zet de ruitenwissers aan. Dit alles in 1 vloeiende beweging. Het beest haalt de overkant nipt. Gauw terug naar Melbourne.